De tweede ronde

Op 29 januari 2013 is er na vele jaren een einde gekomen aan de eerste ronde van het Passage-proces. De rechtbank heeft vonnis gewezen in de zaken van alle verdachten, en beslissingen genomen over de zeer vele door de verdediging gevoerde verweren. Het vonnis wat mijn cliënt Jesse R. beslaat meer dan 200 pagina’s en ziet behalve op de verschillende aan Jesse ten laste gelegde feiten, op de rechtmatigheid van de overeenkomst met La Serpe, de zorgvuldigheid van het optreden van het Openbaar Ministerie, en de eerlijkheid van het proces als geheel.

Ik zal niet verhullen dat ik teleurgesteld ben over de inhoud van het vonnis. Dit niet alleen omdat Jesse door de rechtbank veroordeeld is voor de feiten waarvoor hij werd vervolgd en de door het Openbaar Ministerie gevraagde levenslange gevangenisstraf opgelegd heeft gekregen, maar ook over de manier waarop dat is gebeurd. Zowel waar het de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie betreft, als bij de bewijsconstructie van de verschillende feiten heeft de rechtbank beslissingen genomen die ik moeilijk kan begrijpen, zeker in het licht van al hetgeen door de verdediging in de zaak van R. door mij en mijn kantoorgenoot mr. Malewicz én door de advocaten van enkele medeverdachten is aangevoerd. Nu zijn advocaten natuurlijk in het algemeen ontevreden wanneer zij ongelijk krijgen en de Rechtbank natuurlijk anders tegen bepaalde zaken aankijken, maar zeker in een proces zo omvangrijk en complex als dit, waarin zo uitvoerig pleidooi is gevoerd, had ik gehoopt en verwacht dat de rechtbank op zijn minst duidelijk zou uitleggen waarom zij er anders tegen aan kijken. Die uitleg is op een aantal cruciale punten moeilijk te begrijpen of zelfs uitgebleven.

Het vonnis is dermate omvangrijk en complex, dat dit zich niet leent voor een bespreking in een korte column als deze. Ik zal de beslissing van de rechtbank over de rechtmatigheid van de overeenkomst met La Serpe, waar in een pleidooi van ruim 250 pagina’s uitvoerig over werd geconcludeerd dat die overeenkomst niet rechtmatig was, hier verder laten voor wat het is, en mij beperken tot één voorbeeld van de bewijsbeslissing, in de zaak Agenda oftewel de moord op Kees Houtman.

Net als in veel andere zaken wordt het bewijs in deze zaak voor een zeer groot deel gebaseerd op de verklaringen van de kroongetuige La Serpe. Over die kroongetuige heeft de rechtbank in het vonnis vastgesteld, dat hij mogelijk gelogen heeft over zijn betrokkenheid bij de moord op Bethlehem. Dit nu de rechtbank de door de verdediging ingebrachte anonieme getuigen F1 en F3 en de diverse andere aangevoerde bewijsmiddelen voldoende redengevend vond om er rekening mee te houden dat La Serpe op dit punt zou hebben gelogen. Ook houdt de rechtbank er naar eigen zeggen rekening mee, dat La Serpe niet de waarheid heeft gesproken over de gang van zaken bij de liquidatie op Kees Houtman, en dat hij, anders dan hij verklaart, mogelijk zelf degene is geweest die Houtman met een Glock heeft doodgeschoten.

Ondanks dat de rechtbank er dus rekening mee houdt dat La Serpe op deze cruciale punten heeft gelogen, wordt zijn verklaring niet van het bewijs uitgesloten. Wel stelt de rechtbank vast, dat de verdachten waaronder Jesse slechts aan de hand van de verklaringen van La Serpe kunnen worden veroordeeld, wanneer er behalve die verklaring van La Serpe ander bewijs is dat ziet op het daderschap van de verdachten bij het strafbare feit. Dat klinkt ingewikkeld,  maar simpelweg betekent het dat er ander bewijs moet zijn dat een verdachte daadwerkelijk geschoten heeft, opdracht heeft gegeven heeft, of op andere wijze het strafbare feit heeft gepleegd, en niet volstaan kan worden met zogenaamd steunbewijs. Hierdoor, en door het achterhouden van bewijs over Holleeder in de zaak van Dino S., zijn Ali A. en Dino vrijgesproken.

Wordt vervolgens bezien wat volgens de Rechtbank het ‘daderschapbewijs’ in de zaak van Jesse R. is, dan is dat bepaald minder hard dan het strenge criterium wil doen geloven. In de zaak van de moord op Kees Houtman wordt het bewijs volgens de rechtbank geleverd doordat een getuige die zelfs door het Openbaar Ministerie onbetrouwbaar werd genoemd gezegd heeft dat Jesse lid zou zijn van een moordcommando, door een medeverdachte die verklaard heeft de avond van de moord in een café te hebben gezeten en dat hij en Jesse daarom door weer een andere getuige als moordenaars van Houtman zijn aangemerkt, hetgeen volgens de rechtbank een impliciete bevestiging oplevert dat die medeverdachte weer dat Jesse de moord gepleegd heeft (?), en door het signalement dat een buurtbewoonster heeft gegeven van twee mannen die zij op de avond van de moord (of een dag eerder, ze weet het niet zeker) in een parkje heeft zien lopen. Op het door de verdediging aangeleverde bewijs dat dit signalement helemaal niet past op Jesse R,  en dat het wandelen in het parkje uitgaande van de verklaringen van La Serpe niet plaatsgehad kon hebben voorafgaand aan de moord, gaat de rechtbank niet in.

Ook bij de andere zaken kunnen dit soort kanttekeningen worden gemaakt. Hoewel de verleiding groot is, is dit echter niet de plek om het hele vonnis op deze manier te bespreken. De aangewezen plek om dat wel te doen, is het Gerechtshof Amsterdam en daar zal ik dat ook gaan doen. Na een kort moment van moedeloosheid, zijn zowel Jesse als ik als mr. Malewicz bijzonder strijdbaar om bij het Hof aan te tonen dat de rechtbank op een groot aantal punten onjuiste beslissingen heeft genomen. De tweede ronde kan beginnen.

Deze column is geschreven door: mr. S.L.J. Janssen voor Crimescene

‹ Terug naar overzicht