Betere rechtspositie van politieambtenaren bij dodelijk politiegeweld | Cleerdin & Hamer Advocaten

Betere rechtspositie van politieambtenaren bij dodelijk politiegeweld

16 oktober 2020

George Floyd versus betere bescherming van politieagenten?

Door de duur van het wetgevingsproces kan het gebeuren dat een wetsvoorstel dat een aantal jaren geleden is ingediend ineens weer actueel is. In het geval van de beoogde stelselherziening voor de beoordeling van geweldsaanwending door politieambtenaren draagt het tijdsverloop ook een zekere ironie in zich. Terwijl in de VS honderden duizenden mensen de straat op gingen om te protesteren tegen de gewelddadige dood van onder meer George Floyd en Breonna Taylor door politieoptreden, waarvan sommige protesten bizar genoeg ook weer werden neergeslagen met disproportioneel politiegeweld, ligt in Nederland het wetsvoorstel dat beoogt de politieambtenaar die geweld gebruikt beter te beschermen in de Eerste Kamer.

Bestaande stelsel voldoet al

De Nederlandse strafrechtspleging heeft een lastige verhouding tot aangewend geweld in het kader van de uitoefening van de politietaak. Het blijkt onvermijdelijk om in een aantal acute noodsituaties en bij (pogingen tot) aanhoudingen geweld toe te passen en helaas komt het voor dat daardoor ernstig letsel of zelfs de dood volgt. Dit leidt onder de huidige wet- en regelgeving vrijwel nooit tot aanhouding van de betrokken politieambtenaren al dienen zij wel verantwoording af te leggen en worden zij door de rijksrecherche gehoord in het kader van een onderzoek naar de geweldsaanwending.

Indien de officier van justitie op basis van dat onderzoek besluit de betrokken politieambtenaren niet te vervolgen en de verdenking te seponeren is de kous in beginsel af, al kunnen de slachtoffers of hun nabestaanden een zogenoemde art. 12-klacht bij het gerechtshof indienen om zo alsnog strafrechtelijke vervolging af te dwingen. Indien de officier van justitie op basis van het onderzoek door de rijksrecherche echter van mening is dat met de aanwending van het politiegeweld zodanige fouten zijn gemaakt dat strafrechtelijke vervolging op zijn plaats is, lopen de politieambtenaren het risico voor zware strafbare feiten te worden veroordeeld zoals het opzettelijk veroorzaken van zwaar lichamelijk letsel of doodslag. In veel gevallen zal namens de betrokken politieambtenaar het verweer worden gevoerd dat sprake is van een rechtvaardigingsgrond voor de geweldsaanwending, namelijk dat die heeft plaatsgevonden in het kader van de uitvoering van een wettelijk voorschrift (art. 42 Sr). Er wordt in dit geval een beroep gedaan op de algemene politietaak of een specifieke bevoegdheid uit het Wetboek van Strafvordering in combinatie met de Ambtsinstructie. Een recent voorbeeld van een veroordeling van een politieambtenaar betreft die van de persoon die Mitch Henriquez een nekklem had aangelegd ten gevolge waarvan die was gestikt en kwam te overlijden. De politieambtenaar werd door het gerechtshof Den Haag veroordeeld voor mishandeling de dood ten gevolge hebben (art. 300 lid 3 Sr) tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden. Zijn collega die eveneens betrokken was bij de aanhouding werd vrijgesproken omdat het gerechtshof de door deze agent verrichte handelingen (neerdrukken, slaan en gebruik van pepperspray) op het moment dat die werden verricht niet buitenproportioneel achtte. Het leed van de nabestaanden zal met deze uitspraken niet zijn weggenomen nu zij voorgoed een dierbare hebben verloren en de betrokken politieambtenaren zal het strafproces onmetelijk zwaar zijn gevallen, maar de vraag dringt zich op wat mis is met het min of meer evenwichtige stelsel zoals we dat kennen en hoezeer de gevoelens en ervaringen bij alle betrokkenen veranderbaar zijn met een ander, nieuw stelsel.

Stelselherziening ‘desondanks’

Toch ligt de Stelselherziening Geweldsaanwending Opsporingsambtenaar in de Eerste Kamer en daarnaast is men voornemens ook de Ambtsinstructie grondig te wijzigen. Het doel van het wetsvoorstel is gelegen in het beter toespitsen op de positie, taak en bevoegdheid van de wettelijke systematiek van het onderzoek naar toegepast politiegeweld en de vervolging en berechting van de betrokken politieambtenaren. Het wetsvoorstel beoogt de rechtspositie van de politieambtenaren te verbeteren omdat zij niet alleen de bevoegdheid hebben maar juist ook van hen wordt verwacht in conflictsituaties en bij aanhoudingen naar voren te stappen en zich niet af te wenden, en in het kader van hun werk en maatschappelijke taak te doen wat nodig is. Als vervolgens een (strafrechtelijk) onderzoek wordt ingesteld, is dat ingrijpend, biedt dat veel onzekerheid en wordt dit door de betrokken opsporingsambtenaar als zeer belastend ervaren. De minister van Justitie vindt dat onder die omstandigheden in het huidige wettelijke stelsel te weinig rekening wordt gehouden met die kwetsbare positie. Dit is een uitgangspunt waar wat mij betreft over kan worden gediscussieerd, vooral omdat het niet alleen maar gaat om het bieden van bescherming aan de betrokken politieambtenaren. Uitgangspunt is namelijk ook dat die geweldsaanwending met het onderzoek door de rijksrecherche, de strafrechtelijke procedure en de eventuele art. 12-procedure kritisch wordt en ook behoort te worden onderzocht. Dat zijn uitgangspunten die elkaar zeker kunnen bijten, maar die uiteindelijk wel uitsluitsel geven. En uiteraard is het waar: het is altijd naar om onderwerp van strafrechtelijk onderzoek te zijn, maar dat geldt voor elke verdachte ongeacht of die in beginsel geweld mocht toepassen.

‘Nieuwe’ rechtvaardigingsgrond die er eigenlijk al is

Het wetsvoorstel zelf bestaat uit een drietal wijzigingen. In de eerste plaats wordt een specifieke strafuitsluitingsgrond in de wet opgenomen voor opsporingsambtenaren die geweld hebben toegepast in de rechtmatige uitoefening van hun taak en daarbij hebben gehandeld overeenkomstig de geldende regels. Volgens de minister is het huidige art. 42 Sr geen strafuitsluitingsgrond “die recht doet aan de speciale positie die de opsporingsambtenaar inneemt als handhaver van de rechtsorde.” De formulering voor een nieuw art. 42 lid 2 Sr luidt: “Niet strafbaar is de politieambtenaar die in de rechtmatige uitoefening van zijn taak en in overeenstemming met de geweldsinstructie geweld gebruikt.” Deze rechtvaardigingsgrond zou alleen van toepassing zijn als uit het onderzoek volgt dat de politieambtenaar overeenkomstig de regels zou hebben gehandeld, welke vaststelling zonder meer een drempel zal vormen voor de officier van justitie om alles in aanmerking genomen te gaan vervolgen. Als dat ten gevolge van een geslaagde art. 12-procedure alsnog wordt opgedragen, is wat mij betreft niet duidelijk wat de toegevoegde waarde is van de nieuwe speciale rechtvaardigingsgrond ten opzichte van de oude.

Nieuwe – milde – strafbaarstelling

Ten tweede wordt in het wetsvoorstel een nieuwe strafbaarstelling opgenomen in art. 372 Sr, namelijk het veroorzaken van letsel, zwaar lichamelijk letsel of de dood als gevolg van het door schuld schenden van de geweldsinstructie, oftewel door aanmerkelijk verwijtbaar onvoorzichtig, onzorgvuldig, of onnadenkend handelen. De maximum gevangenisstraffen zijn aanzienlijk lager dan nu nog het geval is: één-twee-drie jaar voor respectievelijk letsel-zwaar lichamelijk letsel-de dood. De minister achtte deze nieuwe strafbaarstelling wenselijk juist omdat de politieambtenaren anders dan normale burgers die letsel of de dood veroorzaken doorgaans bevoegd zijn het gewraakte geweld toe te passen en dat als het mis gaat zij dat niet zullen hebben gedaan om die anderen te benadelen. Uitgangspunt in de redenering van de minister lijkt te zijn dat die politieambtenaar bij het veroorzaken van letsel of de dood in beginsel niet (voorwaardelijk) opzettelijk heeft gehandeld en dat vervolging voor een zogenoemd ‘kwaliteitsdelict’ (een strafbaarstelling alleen van toepassing op specifieke personen of functionarissen, zoals hier politieambtenaren) vooropstaat ten opzichte van een algemeen geweldsdelict als mishandeling of doodslag. Dit legt wel een last neer bij de officier van justitie, die volgens de minister zijn beslissing om te vervolgen voor deze speciale strafbaarstelling ‘gedegen en voldoende dragend’ dient te motiveren en daarbij dient aan te geven waarom er in het specifieke geval niet voor wordt gekozen te vervolgen voor een algemeen geweldsdelict. De beslisboom uit het wetsvoorstel impliceert als het ware een stelsel van communicerende vaten in het geval bijvoorbeeld iemand tijdens zijn aanhouding door de politieambtenaar in zijn rug is geschoten en is komen te overlijden: ofwel je hebt gehandeld conform de ambtsinstructie en zou bij een eventuele vervolging voor doodslag (vaak na een art. 12-procedure) een beroep kunnen doen op de nieuwe rechtvaardigingsgrond, ofwel je hebt de ambtsinstructie verzaakt als gevolg waarvan je voor het nieuwe art. 372 Sr kunt worden vervolgd. Daar volgt inderdaad meer bescherming uit voor de betrokken politieambtenaar, maar of het in beginsel wegblijven van een vervolging voor (een poging tot) doodslag of zware mishandeling leidt tot een me