Snoeien, snijden en hakken

Op 12 juli jl. heeft staatssecretaris Teeven in een brief zijn voornemens over wijzigingen in de gesubsidieerde rechtsbijstand kenbaar gemaakt. Er zouden besparingen nodig zijn in verband met de sterk gegroeide kosten (die overigens voor bijna de helft verklaard kunnen worden door inflatie, maar dat terzijde). De brief heeft tot de nodige ophef geleid, nu de staatssecretaris een groot aantal maatregelen voorstelt die ingrijpende gevolgen zullen hebben voor rechtsbijstand aan particulieren, en op een aantal punten een onvolledige of zelfs onjuiste voorstelling van zaken wordt gegeven. Om te voorkomen dat deze onjuiste voorstelling van zaken gaat een eigen leven gaat leiden en als vaststaand in het debat wordt aangenomen, een uitleg van waar het nu eigenlijk over gaat.

De brief ziet op een wijziging van de systematiek op een groot aantal rechtsgebieden, en bevat verregaande voorstellen op het gebied van strafrecht. Hoewel elke advocaat zijn eigen rechtsgebied al snel als erg belangrijk wil aanmerken, is het strafrecht in die zin een uitzonderingscategorie dat een burger tegen zijn wil door de Staat als verdachte kan worden aangemerkt en vervolgd kan worden, en deze burger zich dan wel moet (laten) verdedigen. Zeker wanneer er sprake is van een ernstige verdenking waar het Openbaar Ministerie en de politie een grote hoeveelheid manuren en opsporingsbevoegdheden tegenaan kunnen gooien, gaat die verdediging al snel veel tijd kosten. De belangen voor een verdachte zijn groot, nu deze in geval van een veroordeling een langdurige gevangenisstraf tegemoet kan zien, dit nog los van alle andere gevolgen die een aanhouding, voorlopige hechtenis of gevangenisstraf in iemands sociale leven heeft: mensen raken hun baan kwijt, hun huis kwijt, hun gezin kwijt, enzovoorts. Dat is ook de reden dat art. 6 lid 3 sub c van het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens anders dan de staatssecretaris suggereert wel degelijk eist dat de lidstaten zorgen dat een verdachte in een strafzaak indien nodig kosteloos door een toegevoegd advocaat kan worden bijgestaan.

Anders dan enkele andere rechtsgebieden kun je je niet verzekeren tegen een strafzaak. Normale burgers en zelfs behoorlijk criminele burgers kunnen in geval van een omvangrijke strafzaak de kosten van een advocaat al snel niet meer opbrengen, dit nog los van het feit dat de Orde van Advocaten in toenemende mate strenge eisen stelt aan het in ontvangst mogen nemen van geld van verdachten. Dit betekent in grote strafzaken vrijwel zonder uitzondering dat de advocaten zijn aangewezen op een zogenoemde toevoeging, op grond waarvan zij hun rechtsbijstand moet verrichten. Dit wordt ten onrechte ook wel pro deo genoemd, gratis rechtsbijstand, maar dat is het natuurlijk niet: de advocaat ontvangt een vergoeding van de Staat.

Een dergelijke toevoeging wordt automatisch door de rechter verstrekt wanneer een verdachte in voorlopige hechtenis wordt genomen door de Rechter-Commissaris. Daaraan voorafgaand heeft die verdachte over het algemeen al drie dagen vastgezeten op het politiebureau, en is daar door de advocaat bezocht. Dit betreft de piketfase. De advocaat krijgt voor die piketfase een vergoeding van € 150,-. Voor dat bedrag dient hij de verdachte in ieder geval één keer en vaak twee keer te bezoeken. Zeker in ernstigere strafzaken dient hij aanwezig te blijven bij de vaak langdurige verhoren. Die piketfase is dus (lang) niet kostendekkend, maar nu het een voor strafzaken bijzonder belangrijke fase is nemen de meeste advocaten de te kort schietende vergoeding voor lief.

Betreft de zaak een vervolging bij de Politierechter dan mogen er maximaal 18 uren worden besteed. Zwaardere zaken komen al snel bij de Meervoudige Kamer terecht, en dan mogen er 24 uren aan de zaak worden besteed. Een groot deel van de strafzaken wordt afgedaan binnen dit forfaitaire deel. Inclusief een toeslag in geval van voorlopige hechtenis ontvangt een advocaat € 900,- voor een Politierechterzaak en € 1.200,- voor een Meervoudige Kamer. Zeker wanneer hij zich een beetje inzet voor zijn cliënt zal hij al snel minimaal 10 uren besteden aan het bestuderen van een dossier, het bezoeken van zijn klant, het onderhouden van contacten met het Openbaar Ministerie en de rechtbank, het eventueel doen van verzoeken, het voorbereiden en bijwonen van raadkamerzitting(en) en de inhoudelijke behandeling. In een zaak bij de Meervoudige Kamer worden al snel meer dan 15 uren besteed. Van een riant uurtarief is in de forfaitaire fase dus vrijwel nooit sprake.

Indien een zaak omvangrijk en complex is kan aan de Raad voor Rechtsbijstand gevraagd worden om extra tijd te mogen besteden. Er is in dat geval sprake van een zogenaamde bewerkelijke zaak. Voordat een zaak bewerkelijk kan worden, zullen de eerste 24 uur uit het forfaitair deel geheel moeten zijn besteed. De uren daarna worden vergoed tegen een tarief van € 100,- per uur. Die ‘riantere’ vergoeding compenseert tot op zekere hoogte het tarief in de eerste 24 uur (omgerekend slechts € 50 per uur).

In zijn brief stelt Teeven nu dat hij de uurvergoeding in bewerkelijke zaken zal terugbrengen naar € 70,- per uur. Dat zou volgens hem redelijk zijn nu de advocaat in een bewerkelijke zaak de zekerheid heeft dat elk gewerkt uur voor vergoeding in aanmerking komt. Alsof het een luxe is dat je betaald krijgt voor het werk dat je doet: dat is in het maatschappelijk verkeer in zijn algemeenheid een voorwaarde voor mensen om werkzaamheden te verrichten. Dat de staatssecretaris het feit dat de gemaakte uren vergoed worden als enige argument aandraagt om de uurvergoeding te verlagen is dan ook weinig overtuigend, waarbij de vergelijking met de commerciële praktijk gezien de bedragen waar het om gaat volstrekt mank gaat.

Verder stelt Teeven voor de toevoeging pas te verstrekken bij de raadkamer gevangenhouding. De piketfase wordt daarmee dus verlengd van de drie dagen die deze nu duurt tot maximaal 17 dagen. In die periode wordt een verdachte meerdere malen gehoord, vindt een raadkamer plaats waarin de voorlopige hechtenis wordt getoetst, dient eventueel een bezwaarschrift tegen de beperkingen te worden ingediend, dient een verdachte minimaal eenmaal en soms vaker te worden bezocht, en moeten vaak bepalende beslissingen worden genomen over de manier waarop de verdediging in de zaak zal moeten plaatshebben. Dat alles zou dus moeten gebeuren tegen een vergoeding van € 150,- of een soortgelijk bedrag. Dat is volstrekt onredelijk, en zal er voor heel veel advocaten toe leiden dat zij eenvoudigweg de rechtsbijstand niet meer kunnen bieden op de wijze die noodzakelijk is omdat het financieel niet uitkan, tenzij de verdachte zelf kan (mee)betalen.

Dat laatste is meteen het meest pijnlijke punt in de brief van de staatssecretaris: anders dan hij wil suggereren zullen dergelijke wijzigingen natuurlijk wel degelijk gevolgen hebben voor de rechtsbijstand die verdachten kunnen krijgen. Met name de gespecialiseerde strafadvocaten die beschikken over een goed geoutilleerde (kostbare) kantoororganisatie met bijbehorende ondersteuning, zullen alleen nog die cliënten kunnen bijstaan die zelf een deel van de kosten kunnen dragen. Dat zijn bedrijven, een hele kleine bovenlaag van veelverdieners, en de doorgewinterde criminelen. Gewone burgers met een baan en een hypotheek die door pech, een stommiteit of zelfs ten onrechte in een strafzaak verzeild raken kunnen dit niet opbrengen.

Het is terecht dat er kritisch wordt gegeven naar de verdiensten van advocaten die gebruik maken van gesubsidieerde rechtsbijstand, maar het beeld van de glamouradvocaat die op kosten van de belastingbetaler rijk wordt is ver verwijderd van de realiteit. Er zijn genoeg mogelijkheden om te besparen op de kosten van strafzaken of van de rechtspleging: stel hogere kwaliteitseisen aan advocaten zodat alleen efficiënt werkende specialisten mogen optreden, zorg dat rechters bij een zaak betrokken blijven en stel hogere eisen aan verzoeken om getuigenverhoren om nodeloos onderzoek te voorkomen, laat die verhoren niet standaard in alle zaken afnemen in alle zaken zodat alle advocaten erbij moeten zijn, ook die in feite helemaal geen belang hebben, neem verdachten alleen in voorlopige hechtenis wanneer er sprake is van ernstige feiten en voorarrest echt noodzakelijk is (daar valt pas echt veel te verdienen) en pas vaker borgstelling toe, betrek advocaten indien mogelijk in een vroeger stadium van de opsporing zodat dingen niet dubbel hoeven te gebeuren, kijk nog eens naar het uiterst kostbare en volstrekt ineffectieve softdrugsbeleid (denk behalve de capaciteitsbesparingen eens aan de daar te realiseren omzetbelasting), enzovoorts enzovoorts. Meer dan voldoende mogelijkheden die veel beter en effectiever zijn dan het rücksichtsloze snoeien waarmee nu wordt gedreigd.

Strafadvocaten zijn vaak verregaand gespecialiseerde professionals die jarenlange ervaring hebben, die klanten moeten bijstaan die onder enorme druk staan en voor wie de belangen enorm zijn. Een verdachte die tegen een jarenlange of zelfs levenslange gevangenisstraf aankijkt moet kunnen rekenen op kwalitatief hoogstaande rechtsbijstand. De advocaat die deze rechtsbijstand verleent hoeft daar niet rijk van te worden, maar dient wel een redelijke vergoeding te krijgen voor zijn werkzaamheden. Die redelijkheid is bij deze staatssecretaris ver te zoeken (Net als bij sommige partijgenoten. Wat is eigenlijk uw uurtarief als advocaat, meneer van der Steur?). Het is voor de strafadvocatuur, maar ook voor de rechtspleging als geheel en de verdachte in het bijzonder, te hopen dat de (in weerwil van het steeds luider wordende koor van economen dat waarschuwt dat dit kabinet fundamenteel op de verkeerde weg zit) toenemende bezuinigingsdrift er niet toe leidt dat ook de Kamer zijn toevlucht zoekt tot de botte bijl en schade aanricht die nog vele jaren zal doorklinken in de Nederlandse rechtszalen.

 

Deze column is geschreven door mr. S.L.J. Janssen, voor Crimescene.

‹ Terug naar overzicht