
Zwaarder straffen mogelijk door herziening meerdaadse samenloop en art. 63 Sr
22 september 2026
Door: Remco den Arend
Per 1 juli 2026 is de herziening regeling voor meerdaadse samenloop in het Wetboek van Strafrecht (Sr) in werking getreden (Stb. 2026, 81). Dit is een herziening die goed past bij de tendens in de samenleving om zwaarder te willen straffen. Artikel 57 Sr is namelijk in die zin gewijzigd dat het maximum van de gecombineerde straf bij gelijktijdige berechting van meerdere feiten stijgt van één derde naar de helft boven het zwaarste strafmaximum. Bij een strafbaar feit waarbij de maximale gevangenisstraf 20 jaar is, betekent dit dat bij een meerdaadse samenloop nu 30 jaar kan worden opgelegd in plaats van 26 jaar en ruim 6 maanden. Daarnaast is ook artikel 63 Sr gewijzigd op zo’n manier dat hogere straffen mogelijk worden.
Een Amsterdams vonnis als aanleiding
Op 14 oktober 2011 wees de rechtbank Amsterdam een vonnis die de discussie aanwakkerde over de praktijk van de samenloopregeling ex artikel 57 tot en met 63 Sr. De rechtbank veroordeelde de verdachte in deze zaak tot tien jaar gevangenisstraf wegens een aantal ernstige zedendelicten (ECLI:NL:RBAMS:2011:BT7651). Het betrof een cold case uit 1996 en de verdachte was nadien meerdere keren tot langdurige gevangenisstraffen veroordeeld. De duur van al die reeds opgelegde gevangenisstraffen liep op tot een totaal van vijftien jaar en negen maanden. Eigenlijk was het daardoor niet mogelijk om een hogere gevangenisstraf op te leggen dan vier jaar en drie maanden voor de zedenfeiten uit 1996 gelet op artikel 63 Sr. De ratio van dit artikel is namelijk dat alle feiten die na de verdenking zijn berecht, gelijktijdig berecht hadden kunnen worden met de aan de orde zijnde zaak, en dat er dan acht geslagen moet worden op de samenloopregeling alsof die berechting gelijktijdig zou zijn. Dit is om de verdachte te beschermen tegen het nalaten om bepaalde zaken gelijktijdig aan te brengen.
De rechtbank heeft het in deze zaak echter onwenselijk gevonden om zich aan deze wet- en regelgeving te houden. Meerdere omstandigheden speelde daarbij een rol, met name het feit dat de verdachte jarenlang is weggekomen met het plegen van de aan de orde zijnde strafbare feiten omdat hij niet in beeld was. Ook speelde de ernst van het feit een rol, alsmede de positie van het slachtoffer, waardoor de rechtbank vond dat het niet meer aan de samenleving uit te leggen was waarom de verdachte slechts zou worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van vier jaar en drie maanden.
Deze uitspraak kon op de nodige politieke interesse rekenen, nu gevonden werd dat een strikte toepassing van artikel 63 Sr de strafruimte van de rechter te veel zou beperken. Voormalig minister van Justitie en Veiligheid Grapperhaus noemde een dergelijke situatie ‘ongerijmd’ (Kamerstukken II, 34126, nr. 17). Een en ander heeft daarom tot deze herziening geleid.
De herziening
Deze wetswijziging heeft voor verdachten in strafzaken met name gevolgen voor de werking van artikel 63 Sr. Dit artikel luidt nu als volgt.
- Indien iemand, nadat hij onherroepelijk tot straf is veroordeeld, schuldig wordt verklaard aan een misdrijf of een overtreding voor die strafoplegging gepleegd, zijn de bepalingen van deze titel voor het geval gelijktijdig straf wordt opgelegd van toepassing.
- In het geval meer veroordelingen zijn uitgesproken, wordt enkel in aanmerking genomen de veroordeling waarbij de hoogste straf is opgelegd.
- In het geval het strafbare feit waaraan iemand schuldig wordt verklaard een misdrijf betreft waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van twaalf jaar of meer is gesteld, kan de rechter gemotiveerd beslissen om een op het eerste lid aanvullende gevangenisstraf op te leggen van niet meer dan een derde van het op dat feit gestelde maximum, indien sprake is van een gegeven dat tijdens het opsporingsonderzoek of gedurende de fase van vervolging aan de officier van justitie of de rechter niet bekend was en dat op zichzelf of in verband met feiten of omstandigheden het ernstige vermoeden had doen ontstaan dat, indien het gegeven bekend zou zijn geweest, het onderzoek van de zaak zou hebben geleid tot het opleggen van vrijheidsstraf.
Hogere straffen mogelijk
Artikel 63 Sr is bedoeld zodat een verdachte het voordeel niet misloopt dat hij bij gelijktijdige berechting zou hebben gehad gelet op de regeling van de meerdaadse samenloop (het maximum dat geldt voor het opleggen van een gezamenlijke straf voor meerdere losstaande feiten). Waar eerst gelet werd op alle veroordelingen ongeacht de onherroepelijke status, verschuift de herziening dit uitgangspunt door artikel 63 Sr te beperken tot enkel eerdere onherroepelijke veroordelingen. Het idee daarachter is dat een nog niet definitieve veroordeling later nog kan worden vernietigd of gewijzigd. De wijziging voorkomt dat een rechter bij de tweede zaak al definitief strafruimte moet inleveren op basis van een mogelijk onjuist wordende eerste veroordeling.
Een andere belangrijke wijziging ziet op de hoeveelheid veroordelingen die in het kader van artikel 63 Sr mogen worden meegewogen. Door het nieuwe lid 2 blijft dat beperkt: enkele de onherroepelijke veroordeling waarin de hoogste straf is opgelegd. In samenhang met het nieuwe lid 1 betekent dat dat de rechter veel minder wordt beperkt door de samenloopregeling om zwaar te straffen. Van de oude situatie waarbij een ongelimiteerd aantal veroordelingen meegewogen moesten worden als de berechting daarvan na het plegen van het onderhavige feit plaatsvond, is de situatie nu dat dit dus beperkt blijft tot één onherroepelijke veroordeling.
Het derde lid lijkt te zijn gemaakt in reactie op de Amsterdamse cold case. Daarin was de verdachte namelijk pas later in beeld gekomen mede door technologische ontwikkelingen in de opsporingen die in 1996 nog niet beschikbaar waren. Het gaat bij dat lid dus om zaken die niet eerder konden worden opgelost. Dan is een aanvullende gevangenisstraf van een derde boven het maximum mogelijk. Hiervoor geldt wel een strengere motiveringsplicht.
Overgangsrecht
Interessant voor de advocatuur is dat de herziening van de samenloopregeling niet mag leiden tot een hogere maximale straf voor feiten die zijn gepleegd vóór de inwerkingtreding van de nieuwe wet. Voor die feiten blijft de oude regeling van artikel 63 Sr het uitgangspunt. Wordt iemand na de inwerkingtreding van de wet veroordeeld voor een ouder feit, dan telt bij toepassing van artikel 63 Sr (oud) alleen de straf mee die is opgelegd voor feiten die eveneens vóór de inwerkingtreding zijn gepleegd. Straffen voor feiten van ná de wetswijziging blijven bij die berekening buiten beschouwing. De datum waarop de feiten zijn gepleegd bepaalt dus welke regeling van toepassing is. De nieuwe regeling die zwaardere straffen mogelijk maakt werkt daardoor niet ten nadele van iemand die vóór de wetswijziging een strafbaar feit heeft gepleegd.



