Novelle strafbaarstelling onrechtmatig verblijf: haastige spoed is zelden goed | Cleerdin & Hamer advocaten

Novelle strafbaarstelling onrechtmatig verblijf: haastige spoed is zelden goed

15 december 2025

Op 3 juli 2025 is het wetsvoorstel tot wijziging van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) en de Algemene wet bestuursrecht (Awb), strekkende tot het treffen van maatregelen ter ontlasting van de asielketen en ter vermindering van de instroom van asielzoekers (Asielnoodmaatregelenwet), aan de Tweede Kamer aangeboden. De in dit wetsvoorstel opgenomen strafbaarstelling van ‘illegaal’ verblijf in artikel 108a van de Vreemdelingenwet leidde in Nederland tot maatschappelijke en juridische discussie. Deze discussie richtte zich met name op de vraag in hoeverre de voorgestelde strafbaarstelling van onrechtmatig verblijf ertoe zou kunnen leiden dat het verlenen van hulp aan personen zonder rechtmatig verblijf in Nederland strafbaar zou worden – ook wel de ‘kopje soep’ discussie genoemd.

Naar aanleiding van deze discussie is op 5 september jl. een wijziging van dit wetsvoorstel gepubliceerd en opengesteld voor internetconsultatie. Op deze internetconsultatie publiceerde migratierechtadvocaat mr. Femke Zeven op 22 september 2025 al een reactie via onze website, waarin zij haar eerste zorgen uitte over de voorgestelde wijzigingen. Die reactie is hier te lezen: Het wetsvoorstel tot strafbaarstelling van ‘illegaal’ verblijf | C & H.

In aanvulling hierop schreven Femke Zeven en Sophie Hof, met ondersteuning van kantoorgenoten een korte memo over de novelle. Deze memo is hier te lezen. De ingenomen standpunten in de memo kunnen niet als uitputtend worden beschouwd. Voor het trekken van definitieve conclusies is namelijk een nadere en meer omvattende juridische analyse vereist, waarvoor meer tijd nodig is.

Het doel van het wetsvoorstel – en in het bijzonder van artikel 108a, derde lid, Vw – is volgens de wetgever om te waarborgen dat hulp aan vreemdelingen die onrechtmatig in Nederland verblijven niet strafbaar wordt gesteld. Met het huidige wetsvoorstel blijft het Openbaar Ministerie (OM) echter in beginsel bevoegd om vervolging in te stellen wegens het verlenen van hulp, ondanks dat het uitgangspunt van het wetsvoorstel is dat deelnemerschap wordt uitgesloten. Het besluit om al dan niet tot vervolging over te gaan berust immers uitsluitend bij het OM, op grond van het opportuniteitsbeginsel; dit is geen beslissing van de wetgever maar is voorbehouden aan het OM (vervolgingsmonopolie).

Dit betekent dat het OM, gelet op het doel en de toelichting bij het wetsvoorstel, in de praktijk mogelijk terughoudend zal zijn met vervolging, maar dat de bevoegdheid daartoe niet wordt weggenomen. Vervolging – ook van hulpverleners – is daarmee niet uitgesloten. Bovendien worden met de huidige novelle zogenoemde grensgevallen niet afdoende ondervangen, nu de gekozen constructie ruimte laat voor vervolging op grond van andere strafrechtelijke bepalingen, eveneens ten aanzien van hulpverleners.

Voor vragen, kunt u contact opnemen met mr. F. (Femke) Zeven, via zeven@cleerdin-hamer.nl.

Recente berichten

Strafrecht

Familierecht

Civiel recht

Bestuursrecht