Europese eenwording in het overleveringsrecht gestaag verder

Terwijl het maatschappelijk sentiment duidelijk anti Europees genoemd kan worden en het eerste referendum over een kwestie betreffende de Europese Unie een feit lijkt te zijn, wordt de samenwerking binnen de EU op het gebied van strafrecht nog altijd steeds hechter. Helaas niet op het gebied van rechtsbescherming, maar vooral op het gebied van opsporing en vervolging van verdachten.

Een van de eerste kaderbesluiten van de EU die verregaande consequenties had voor verdachte burgers, was het Kaderbesluit Europees Aanhoudingsbevel (Kaderbesluit 2002/584/JBZ, 13 juni 2002), in Nederland geïmplementeerd in de Overleveringswet (Staatblad 2004, 192). Alweer meer dan 10 jaar geleden werd het uitleveringsrecht voor de relatie met landen van de EU vervangen door het overleveringsrecht met een aanzienlijke uitkleding van de waarborgen voor opgeëiste personen als gevolg. Het schrappen van enig rechtsmiddel, het versnellen van de procedure, het beperken van weigeringsgronden en (in dit verband meest relevant) het schrappen van de toets van dubbele strafbaarheid voor een lijst van feiten, maakten het er voor de opgeëiste persoon niet beter op.
Daar waar de wetgever de mogelijkheden voor verweren al aanzienlijk had beperkt heeft de (bij uitsluiting bevoegde) rechtbank Amsterdam in de beginjaren nog wel getracht de mogelijkheden die de wet biedt te verkennen. Uiteindelijk zijn die door de Hoge Raad en/of het Europees Hof van Justitie allemaal teniet gedaan. Inmiddels heeft het er alle schijn van dat ook de rechtbank Amsterdam heeft ingezien dat het zoeken naar mogelijkheden die de wet biedt zinloos is. Sterker nog, in lijn met de Europese jurisprudentie kiest de rechtbank er voor om de Overleveringswet uit te leggen in de lijn van het Kaderbesluit.

Dat heeft onlangs geleid tot het stellen van prejudiciële vragen aangaande het in Nederland sinds jaar en dag geldende vereiste van dubbele strafbaarheid (ECLI:NL:RBAMS:2015:5712). Daarbij dient de rechtbank te onderzoeken of de verdenking in het buitenland ook in Nederland een strafbaar feit zou opleveren en of die is bedreigd met een wettelijk strafmaximum van tenminste 12 maanden. Op die manier hoeft niet te worden uit- of overgeleverd voor bagatel feiten. De gedachte daarachter is dat de uit- of overlevering en de gevolgen die dat heeft voor de opgeëiste persoon niet in verhouding staan tot het feit waarvoor de opgeëiste persoon wordt verzocht. De vraag van de rechtbank was of het Nederlandse vereiste van een minimale strafbedreiging van 12 maanden in strijd was met het Kaderbesluit.

Het antwoord kwam middels een spoedprocedure op 25 september jl. en was bevestigend (HvJ EU 25 september 2015, C463-15). Het is inderdaad in strijd met het kaderbesluit om meer eisen te stellen dan de enkele strafbaarheid van het feit waarvoor de overlevering wordt verzocht. Voor elk feit dat in Nederland strafbaar is en waarvoor in het buitenland een strafmaximum van tenminste 12 maanden geldt, moet dus door Nederland worden overgeleverd. Ongeacht de gevolgen daarvan voor de opgeëiste persoon. De minimale bescherming die het vereiste van gekwalificeerde dubbele strafbaarheid nog bood is daarmee teniet gedaan. Overlevering kan daarmee ook voor overtredingen plaatsvinden, mits in het buitenland met voldoende straf bedreigd. Het enkele vereiste is immers de strafbaarheid van het handelen.

De overweging die het Hof van Justitie om tot deze beslissing te komen luidt:

“Anders dan het uitleveringsstelsel, dat bij kaderbesluit 2002/584 is afgeschaft en
vervangen door een regeling van overlevering tussen rechterlijke autoriteiten,
houdt het kaderbesluit geen rekening meer met de maat van de in de uitvoerende
lidstaten toepasselijke sancties. Dat strookt met het belangrijkste doel van dit
kaderbesluit, bedoeld in overweging 5 ervan, een vrij verkeer van beslissingen in
strafzaken te verzekeren in de ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid.”

Al bij de totstandkoming van het Kaderbesluit en de implementatie ervan in de Overleveringswet bestond het vermoeden dat dit de eerste stap was op weg naar een volledige integratie van de Europese strafrechtelijke Unie. Waarom zou er verschil moeten zijn tussen de officier van justitie in Groningen en de officier van justitie in Antwerpen als zij een verdachte willen laten aanhouden en overbrengen naar hun arrondissement? Op grond van de overweging van het Hof, waarin het vrij verkeer van beslissingen in strafzaken en de ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid kennelijk voldoende is om een historisch gezien belangrijke rechterlijke toets opzij te zetten, valt te verwachten dat in de (nabije) toekomst het verschil tussen de officier van justitie in Groningen en Antwerpen inderdaad wegvalt.

Op zichzelf kunnen daar argumenten voor zijn, maar dan moet ook de rechtsbescherming in de betreffende EU lidstaat, en dat kan dus ook Litouwen of Hongarije zijn, beter geregeld worden. Het anti Europese sentiment zal anders alleen maar verder worden aangewakkerd met als mogelijk resultaat dat alle EU regelgeving middels een exit teniet wordt gedaan. En zo belangrijk kan de overlevering voor bagatelfeiten toch niet zijn.

‹ Terug naar overzicht