Sprookjes bestaan (niet)

Regelmatig moet ik aan het sprookje van roodkapje denken tijdens mijn werk. Waar roodkapje zich verbaast over de grote oren, ogen en neus van haar oma verbaas ik me vaak over de goede oren, ogen en het waarnemingsvermogen van agenten.

Laatst was het weer zover: tijdens een zitting bij de rechtbank Den Haag voerde ik het verweer dat mijn cliënt ten onrechte was aangehouden omdat in het proces-verbaal van de aanhouding de reden van de aanhouding niet vermeld stond. Het ging om een verdenking uit 2010, ruim twee jaar terug, en mijn cliënt was aangehouden in zijn auto zonder dat dus stond vermeld wáárom hij was aangehouden.

De rechter deed die dag geen uitspraak maar hield de behandeling van de zaak aan, zodat we twee maanden later weer op zitting stonden. Vlak voor de zitting gaf de officier van justitie mij een document en wat stond daar: ‘Op 8 augustus 2010 zag ik, agent van politie, een zwarte auto van het merk Audi rijden met kenteken AB-12-CD en ik hield deze auto staande op grond van de algemene controle bevoegdheden uit de Wegenverkeerswet’.

Dit zogenaamde aanvullende proces-verbaal van bevindingen was ondertekend twee jaar na de datum van de aanhouding van mijn cliënt en we moeten er dus vanuit gaan dat deze agent uit zijn herinneringen heeft geput en vervolgens daarvan verslag heeft gedaan. Zonder dit document zou mijn cliënt moeten worden vrijgesproken en met dit document was de zaak rond. De rechter vond het aanvullende proces-verbaal voldoende en betrouwbaar, de agent had dit document naar eer en geweten opgeschreven; het was immers op ambtseed opgemaakt.

Bij mij gaat dit er niet in. Wie kan zich nu ruim twee jaar na dato nog zo exact een autokleur, merk en kenteken herinneren? En neem daarbij dat deze agent dagelijks of wekelijks meerdere keren een auto staande moet hebben gehouden in de afgelopen twee jaar. Zou deze agent soms over een fotografisch geheugen beschikken? Maar nee, ook veel van zijn collega’s lijken zeer begaafd als het gaat om herinneringen, vaak wel ten nadele van mijn cliënt.

Nog een voorbeeld: in een zaak waarin aan mijn cliënt werd verweten dat hij had gepoogd een agent van het leven te beroven na afloop van een voetbalwedstrijd ontbrak elke link tussen de cliënt en de feiten zoals deze uit het dossier volgden. Kort gezegd kon je uit het dossier afleiden dat de agent was aangevallen maar door wie werd niet duidelijk omdat er geen beschrijving van de dader in het dossier zat.

Mijn cliënt was na afloop van de wedstrijd weliswaar aangehouden, maar hij was direct naar het ziekenhuis gestuurd omdat hij door een politiehond was gebeten. Uit het dossier volgde niet waarom mijn cliënt was aangehouden. De aangifte ter zake van poging tot doodslag was lang en uitvoerig maar bevatte geen daderinformatie.

Twee weken na de wedstrijd werd mijn cliënt uitgenodigd voor een verhoor bij de politie en hij verklaarde onder meer dat hij tijdens zijn aanhouding in de sloot was gevallen én was gebeten door een politiehond. Nog diezelfde dag werd aan het dossier een nieuw aanvullend proces-verbaal van bevindingen toegevoegd. De inhoud laat zich inmiddels raden: de agent was aangevallen door een persoon die bij zijn aanhouding in de sloot was gevallen en door een hond was gebeten. En laat er die avond nu maar 1 persoon zijn aangehouden die aan die omschrijving voldeed, jawel mijn cliënt. Het dossier was daarmee rond.

Maar kan zo’n agent dan zomaar op elk moment nog (al dan niet belastende) bevindingen toevoegen aan een strafdossier? Ik meen van niet. Op grond van de verbaliseringsplicht uit artikel 152 van het wetboek van strafvordering moeten ambtenaren van politie ten spoedigste proces-verbaal opmaken van het door het opgespoorde strafbare feit of van hetgeen door gen tot opsporing is verricht of bevonden.

Met andere woorden: agenten moeten zo snel mogelijk alles opschrijven wat relevant is voor het dossier. Het kan zijn dat er na lezing van het dossier nog vragen zijn bij de rechter, de officier of de advocaat waardoor aan de desbetreffende agent wordt gevraagd een aanvullend proces-verbaal van bevindingen op te stellen maar daarbij moet de agent dan uit zijn herinnering putten en is het niet de bedoeling dat hij nog even het dossier erbij pakt. Een proces-verbaal opgemaakt door een agent heeft in ons land bijzondere bewijskracht. Dit betekent dat voor een veroordeling één enkel proces-verbaal van een agent al voldoende kan zijn, terwijl er normaal gesproken twee bewijsmiddelen nodig zijn.

Het is dus van groot belang dat een rechter af kan gaan op hetgeen door een agent op papier wordt gesteld. Ik meen dan ook dat een rechter extra voorzichtig moet zijn met de aanvullende processen-verbaal zoals in mijn voorbeelden hierboven, en deze in beginsel eigenlijk niet moet toelaten.

Immers, geen enkel mens en agenten dus incluis kan zich normaal gesproken zoiets specifieks als een kenteken, een automerk of autokleur herinneren zonder dat hij daarvoor een goede reden heeft (hij werd aangereden door die auto, er bleek een bekende in de auto te zitten, etc.) en daarnaast is het opstellen van een aanvullend proces-verbaal met daarin cruciale informatie voor de zaak ook regelrecht in strijd met de verbaliseringsplicht van de agenten.

Alhoewel mijn zaken verder weinig met sprookjes te maken hebben, liep de hierboven beschreven voetbalkwestie goed af. Het Gerechtshof Amsterdam deelde mijn kritiekpunten in deze zaak en mijn cliënt werd vrijgesproken.

Deze column is geschreven door: Mw mr. A.J. van der Velden voor Crimescene

‹ Terug naar overzicht