Leidinggevenden als bestuurders van ondernemingen riskeren niet alleen strafrechtelijke vervolging voor strafbare feiten gepleegd door de onderneming, maar ook gepleegd door werknemers. Een voorwaarde voor deze strafrechtelijke aansprakelijkheid is dat de onderneming een strafbaar feit heeft begaan. Van strafbaar feitelijk leidinggeven kan in dat geval sprake zijn indien:

1) de leidinggevende maatregelen ter voorkoming van de strafbare gedraging achterwege laat, hoewel hij tot het treffen van die maatregelen bevoegd en redelijkerwijs gehouden is en

2) hij bewust de aanmerkelijke kans aanvaardt dat de strafbare gedraging zich zal voordoen, zodat de leidinggevende deze gedraging opzettelijk bevordert.

Ten aanzien van (1) het achterwege laten van maatregelen, geldt dat feitelijke bemoeienis van de leidinggevende niet is vereist. Het doen van een suggestie die tot de strafbare gedraging leidt, kan al voldoende zijn voor strafbaar leiding geven. Een bevoegdheid tot ingrijpen bestaat indien de leidinggevende feitelijk zeggenschap heeft over een gedraging die de onderneming wordt geacht te hebben verricht. Deze zeggenschap berust veelal bij bestuurders, commissarissen, afdelingshoofden of managers. Naast de bevoegdheid is ook vereist dat de leidinggevende hiertoe redelijkerwijs gehouden was. Indien bijvoorbeeld een directielid wel de bevoegdheid heeft in te grijpen, maar op grond van de bestaande taakverdeling een ander directielid de eerst aangewezene is dat te doen, en het directielid later geen signalen krijgt dat de verboden gedragingen zich nog steeds voordoen, is hij redelijkerwijs niet gehouden op te treden.

Ten aanzien van (2) het vereiste opzet geldt dat dit gericht moet zijn op de strafbare gedraging en de omstandigheden die de gedraging strafbaar maken. Essentieel is dat de leidinggevende niet kan worden veroordeeld indien hij werkelijk van niets wist.

Indien door de rechter wordt geoordeeld dat sprake is van strafbaar leidinggeven kan de leidinggevende worden gestraft met een maximumstraf die is gesteld op het feit dat door de onderneming is begaan. Pleegt een onderneming bijvoorbeeld valsheid in geschrift (art. 225 Sr), dan loopt de leidinggevende een risico op een gevangenisstraf van maximaal zes jaren. Zoals geschetst is voor strafrechtelijke vervolging de enkele (bestuurders)hoedanigheid van de leidinggevende niet voldoende. Er moet in voldoende mate sprake zijn van specifiek bewustzijn en feitelijk gezag. Alertheid van de leidinggevende op strafbare gedragingen binnen de onderneming is geboden.

Gelet op de complexiteit van de beoordeling of een leidinggevende een strafrechtelijk verwijt kan worden gemaakt in combinatie met het belang van een adequate verdediging is het van belang dat in een vroegtijdig stadium een advocaat wordt gepleegd. Wij denken graag met u mee over vraagstukken betreffende strafrechtelijke aansprakelijkheid van een leidinggevende.

Ondernemingsstrafrecht advocaten
  • Simeon Burmeister Strafrecht, Financieel-economisch strafrecht, TBS & Psychiatrisch patiëntenrecht
  • Robbert Jonk Strafrecht, Financieel-economisch strafrecht, Ontnemingsrecht & Uit- en overleveringsrecht
  • Patrick van der Meij Strafrecht, Financieel-economisch strafrecht & Ontnemingsrecht
  • Sabine Pijl Strafrecht, Financieel-economisch strafrecht & Uit- en overleveringsrecht
  • Melissa Slaghekke Strafrecht, Financieel Strafrecht, Jeugdstrafrecht, Uit- en overleveringsrecht
  • Maike Bouwman Strafrecht, Financieel-economisch strafrecht, Uit- en overleveringsrecht & Jeugdrecht